Zorg en preventie

De toekomst gaat over vitaliteit en preventie. Maar waar begint en eindigt de zorg?

Reflectie op interview Fysiopraxis juni 2026 met hoogleraar strategie en transformatiemanagement Annemieke Roobeek

Het interview met prof. Annemieke Roobeek in de Fysiopraxis (link: https://www.kngf.nl/fysiopraxis-juni-2026/) schetst een inspirerend toekomstbeeld. Meer preventie. Meer vitaliteit. Een sterkere eerste lijn. Betere samenwerking. Wie kan daar tegen zijn? Ik in ieder geval niet! Sterker nog, ik denk dat vrijwel iedere fysiotherapeut deze richting onderschrijft. Toch bleef ik na het lezen met een aantal fundamentele vragen zitten. Niet omdat de visie onjuist zou zijn, maar omdat de transitie waarover wordt gesproken misschien nog veel groter is dan we ons realiseren.

Preventie is geen alternatief voor zorg

In veel discussies lijkt een tegenstelling te ontstaan tussen zorg en preventie. Alsof goede zorg vooral gaat over behandelen en de toekomst uitsluitend over gezond blijven. Volgens mij is dat een onjuiste tegenstelling.

Voor veel mensen is goede zorg juist de voorwaarde om weer gezond te kunnen leven. Iemand met ernstige artrose, een voorste kruisbandletsel, een CVA of complexe chronische aandoening wordt niet vitaal door uitsluitend meer te bewegen of gezonder te eten. Eerst is hoogwaardige zorg nodig om weer te kunnen deelnemen aan het dagelijks leven. Preventie begint dus vaak ná goede zorg.

De toekomst gaat daarom niet over zorg óf preventie, maar over de verbinding tussen beide. Misschien is dit wel de echte transitie? Tijdens het lezen kwam vooral één vraag steeds terug.

Welke vorm van preventie bedoelen we

Hebben we het over preventie binnen de zorg, waarbij fysiotherapeuten mensen begeleiden om na ziekte of letsel duurzaam gezond te blijven? Of bedoelen we ook primaire preventie: het begeleiden van vitale burgers zonder hulpvraag?

Dat lijkt misschien een nuance, maar bestuurlijk is het een fundamenteel verschil. Zodra fysiotherapeuten zich structureel richten op vitale burgers zonder hulpvraag, verandert niet alleen hun dagelijkse werk, maar ook de maatschappelijke legitimatie van het vak. Dan verschuift fysiotherapie van een zorgberoep naar een bredere gezondheidsvoorziening.

Dat vraagt niet alleen een andere manier van werken. Het vraagt een expliciete discussie over:

  • het beroepsprofiel;
  • de publieke taak;
  • de bekostiging;
  • en uiteindelijk de maatschappelijke verwachtingen van het vak.

Die discussie zie ik nog nauwelijks gevoerd worden.

Waar eindigt de verantwoordelijkheid van de zorg en waar begint die van de samenleving?

Misschien is dit de belangrijkste bestuurlijke vraag van de komende jaren. Is het bijvoorbeeld de taak van de fysiotherapeut om vitale burgers gezonder te maken? Of ligt die verantwoordelijkheid ook bij gemeenten, werkgevers, scholen, sportverenigingen, het fysieke en sociale domein en uiteindelijk bij burgers zelf?

Dat is geen semantische discussie. Daarmee bepalen we immers waar publieke middelen worden ingezet en wie waarvoor verantwoordelijk wordt.

Samenwerking is geen gratis product

Ook samenwerking komt terecht veel terug in het interview, maar samenwerking is geen gratis product. Ze vraagt:

  • tijd;
  • coördinatie;
  • governance;
  • financiering;
  • leiderschap.

"Wisdom of the crowd", zoals genoemd in het interview, klinkt aantrekkelijk, maar kan net zo goed leiden tot "paralysis by consensus" wanneer verantwoordelijkheden diffuus worden en overleg een doel op zich wordt.

"Wisdom of the crowd" klinkt aantrekkelijk, maar kan net zo goed leiden tot "paralysis by consensus" wanneer verantwoordelijkheden diffuus worden en overleg een doel op zich wordt.

Elke nieuwe regionale structuur vraagt immers ook nieuwe bestuurders, programmamanagers, adviseurs, subsidietrajecten en overlegtafels. Dat is niet per definitie verkeerd, maar het vraagt wel om de vraag hoeveel van elke extra euro uiteindelijk daadwerkelijk terechtkomt bij burgers en professionals.

De economische werkelijkheid

Misschien is dit ook het verschil in perspectief. Een hoogleraar strategie en transformatiemanagement kijkt begrijpelijkerwijs vooral naar de gewenste systeemverandering. Maar systeemverandering en financieel-economische realiteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Over welke investeringen spreken we en wie bewaakt dat

Preventie gaat niet over enkele miljoenen zoals nu het geval is. Waarschijnlijk eerder over miljarden als je echt invetseert in preventie. En hoe voorkomen we dat een substantieel deel verdwijnt in nieuwe programmaorganisaties, regionale overlegstructuren, consultants en subsidiestromen?

En minstens zo belangrijk: Hoe zorgen we ervoor dat investeringen uiteindelijk landen waar gezondheidswinst daadwerkelijk ontstaat: bij burgers én zorgprofessionals?

Politiek wil vaak wel de uitkomst, maar niet de transitie

Daar zie ik misschien wel de grootste spanning. Preventie wordt vrijwel unaniem omarmd. Vaak ook omdat zij wordt gepresenteerd als dé oplossing voor de stijgende zorgkosten. Tegelijkertijd blijven de bestaande bekostigingssystemen, verantwoordelijkheden en financiële prikkels grotendeels bestaan. Misschien is dat inherent aan elke transitie. We verlangen naar het nieuwe, maar organiseren het vanuit het oude. Dat is begrijpelijk, maar het maakt de uitvoering buitengewoon ingewikkeld.

We verlangen naar het nieuwe, maar organiseren het vanuit het oude. Dat is begrijpelijk, maar het maakt de uitvoering buitengewoon ingewikkeld.

Fundamentele vraag

Ik geloof net als prof. Roobeek dat de toekomst meer zal draaien om vitaliteit, gezondheid en preventie. Maar misschien gaat de echte transitie niet over méér preventie. Misschien gaat zij over een veel fundamentelere vraag:

Waar houdt de verantwoordelijkheid van de zorg op en waar begint die van de samenleving?

Pas wanneer we die vraag beantwoorden, kunnen we bepalen wat we redelijkerwijs mogen verwachten van fysiotherapeuten, huisartsen, gemeenten, werkgevers, burgers én de overheid. Want uiteindelijk vraagt een gezonde samenleving niet alleen om anders kijken naar zorg. Zij vraagt vooral om heldere keuzes over verantwoordelijkheid, financiering en maatschappelijke verwachtingen.

Link naar interview met prof. Roobeek vind je hier: https://www.kngf.nl/fysiopraxis-juni-2026/

Online marketing & Webservices

Online marketing kent vele vaktermen. Vaak in het Engels, maar niet altijd direct duidelijk wat ze betekenen. Voor Phytalis is online marketing eenvoudig meer klanten en meer omzet. Bekijk eens onze kennisbank.

Met Phytalis webservices heb je dé partner op het gebied van online aanwezigheid. Altijd veilig en heel gemakkelijk bij te houden. Invoegen van (exteren) software geen probleem. Zonder  enige kennis van websites, bouw je toch alles zelf of samen met Phytalis.

Meer informatie

We hebben heel veel in huis, maar wat is nu echt het voordeel voor  jouw persoonlijke situatie. Dat willen wij graag weten. Omdat elke situatie anders is, stellen we graag persoonlijk contact erg op prijs. Even  vrijblijvend bellen? 

Contact

Geestbrugkade 35
2281 CX  Rijswijk

070-3206157
06-24223958

marcom@phytalis.nl
www.phytalis.nl